In een recent arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:665) is bepaald dat de pandhouder die een stil pandrecht heeft gevestigd op de bedrijfsinventaris in geval van faillissement zijn pandrecht mag uitwinnen om zijn boedelvordering voldaan te krijgen. Strijd met het fixatiebeginsel?

Wat was er aan de hand?

Heineken was verhuurder van een horecapand. Tot meerdere zekerheid van nakoming van (onder meer) de verplichtingen van de huurder uit hoofde van de huurovereenkomst is door de huurder ten behoeve van Heineken een (stil) pandrecht gevestigd op de inventaris van de horecagelegenheid van huurder. 

Het loopt voor huurder echter niet zoals gehoopt. Nadat eerst de fiscus bodembeslag heeft gelegd op de inventaris wordt huurder (een B.V.) uiteindelijk failliet verklaard. De curator heeft de huur laten doorlopen om een doorstart mogelijk te maken, maar uiteindelijk wordt na een paar maanden de huur met onmiddellijke ingang (met instemming van Heineken) opgezegd. De wet bepaalt dat alle huurpenningen na datum faillissement boedelschulden zijn, i.c. circa € 82.000,–.

Op de dag dat de huur eindigt, legt Heineken met verlof van de voorzieningenrechter beslag op de inventaris tot afgifte aan haar als pandhouder. Het vervolgens door de curator aangespannen kort geding tot opheffing van het beslag wordt door de rechter afgewezen. 

Vervolgens heeft Heineken met toestemming van de curator de inventaris geëxecuteerd  door verkoop en levering (aan haarzelf) voor € 50.000,– excl. btw.

De curator vordert afdracht van de executieopbrengst van Heineken aan de boedel (art. 57 lid 2 Fw jo 21 lid 2 Iw). Heineken weigert de opbrengst af te dragen omdat zij stelt dat zij gerechtigd is om haar boedelvordering eerst uit de executieopbrengst te voldoen. De curator is echter van mening dat verhaal van de boedelvordering uit de executieopbrengst in strijd is met het fixatiebeginsel. 

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad stelt met verwijzing naar het arrest Koot/Tideman q.q. (HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108) voorop dat een faillissement geen wijziging brengt in de verbintenissen uit overeenkomst. Hieronder vallen ook de op moment van faillietverklaring lopende wederkerige duurovereenkomst. Dit is niet anders in geval van een huurovereenkomst.

De Hoge Raad concludeert (i) dat de pandhouder ook de vorderingen van na faillissement kan verhalen uit hoofde van haar pandrecht, mits voortvloeiend uit een bestaande rechtsverhouding met gefailleerde (zoals een huurovereenkomst). (ii) Dat de huur een boedelschuld is doet daar niet aan af. (iii) Dat de huur als boedelvordering niet concurreert met de faillissementsvordering van de fiscus en dat zij als separatist voorbij kan gaan aan de hoger gerangschikte boedelschuldeisers.

Levenbach Advocaten is gespecialiseerd in insolventierecht en zekerheden. Wij helpen u dan ook graag verder om uw rechten als (ver)huurder, leverancier, crediteur en/of franchisenemer uit te oefenen. Neem contact op met Stephan Voermans (stephanvoermans@levenbach.nl) of Daniël Sjouke (danielsjouke@levenbach.nl).

Share →

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *